Een telkens terugkerende vraag bij een webcast is; hoeveel capaciteit moet er beschikbaar zijn? Met andere woorden, hoeveel gelijktijdige kijkers of ‘concurrent viewers’ kunnen naar de stream kijken? Zaken die hierbij een rol spelen zijn de streamingcapaciteit (hoeveel dataverkeer per seconde) en de bitrate (op welke kwaliteit zijn de streams?).

Een voorbeeld. De kwaliteit staat ingesteld op 1 Mbps en de streamingcapaciteit is 10 Gbps (dus circa 10.000 Mbps). Een erg eenvoudige rekensom leert ons dat er dan circa 10.000 gelijktijdige kijkers naar de livestream kunnen kijken. Als de webcast 5 uren duurt, dan kunnen er toch veel meer dan 10.000 kijkers de stream bekijken, immers zodra iemand de stream weer weg klikt is er weer een plaats vrij. De ervaring leert ons dat in een middag al snel 3 tot 4 keer zoveel mensen een kijkje nemen op de stream. Met een capaciteit van 10.000 kijkers kunnen er dus toch zo’n 30.000 tot 40.000 mensen de webcast verdeeld over de middag¬†bekijken.

Stel dat er in hetzelfde voorbeeld ook een mobiele stream beschikbaar is. De kwaliteit hiervan kan vanwege de kleinere schermen al snel gehalveerd worden, zonder zichtbaar kwaliteitsverlies. Als de bitrate ingesteld zou worden op 0,5 Mbps, dan kunnen er voor elke desktopstream twee mobiele streams draaien. In het geval van de capaciteit van 10 Gbps zouden er dan 5.000 desktopstreams aangeboden kunnen worden en 10.000 mobiele streams.

Vaak wordt het totaal aantal kijkers te hoog ingeschat bij een webcast. Om alles in perspectief te zetten; de stream met de meeste kijkers in Nederland was van de NOS tijdens de wedstrijd Nederland – Denemarken op het WK voetbal in 2010. Op deze maandagmiddag keken volgens de NOS 121.017 mensen gelijktijdig naar de wedstrijd. Die gehele maandag hebben meer dan 500.000 unieke bezoekers de site bekeken.